Een recht die door de eigenaar aan een derde wordt toegekend om een bepaald onroerend goed te bewonen. Het gaat in principe om een gratis recht, tenzij anders is overeengekomen. Het recht van bewoning strekt zich uit tot het gezin van degene die het recht geniet, het kan niet worden afgestaan en is beperkt tot de noden van het gezin.

Het recht van bewoning mag niet in verwarring worden gebracht met het vruchtgebruik. Wie het recht van bewoning geniet mag de woning bijvoorbeeld niet verhuren, terwijl de vruchtgebruiker wel van dergelijke “vruchten” mag genieten. Het recht van bewoning is ook een persoonlijk en niet-overdraagbaar recht, terwijl de vruchtgebruiker zijn vruchtgebruik wel mag doorgeven. In principe wordt het recht van bewoning om niet toegekend, maar andere afspraken zijn mogelijk. Ook over de duur van het recht van bewoning mogen de partijen afspraken maken. Wie het recht van bewoning geniet, moet wel instaan voor dezelfde kosten als bij het vruchtgebruik. In de praktijk moet de eigenaar enkel opdraaien voor de grote herstellingen, terwijl de bewoner de onderhoud- en slijtagekosten moet betalen.

Het recht van bewoning wordt veelal toegepast om een samenwonende te beschermen tegen de gevolgen van het overlijden van de eigenaar. Ook in het kader van successieplanning, waarbij ouders voor het overlijden hun eigendom afstaan en vervolgens een recht van bewoning krijgen toegekend, is het een veelgebruikt instrument.