Een procedure die door de publieke overheid wordt aangewend om de eigendomsrechten gedwongen en volledig af te schaffen in functie van een publieke dienstbaarheid die de afschaffing rechtvaardigt. In ruil voor de afschaffing ontvangt men een voorafgaandelijke en billijke vergoeding.

In principe kan elke publieke overheid tot onteigening overgaan. Het gaat dus niet alleen om de Belgische Staat, maar ook om de Gemeenschappen, Gewesten en zelfs de provincies, gemeentes, intercommunales, OCMW, publieke instellingen en organismen die over de wettelijke toelating beschikken. Wel kan men enkel tot de onteigening overgaan indien het ten dienste staat van een publieke dienstbaarheid en die publieke dienstbaarheid de aantasting van het eigendomsrecht ook rechtvaardigt.

Omdat onteigeningen het eigendomsrecht op de meest verregaande manier aantasten, is er hoe dan ook een strikte procedure aan verbonden. De onteigening kan op verschillende manieren verlopen:

  • Een gewone procedure waarbij de gemeente het dossier ontvangt. De betrokkenen krijgen de kans om te reageren en een klachtenprocedure op te starten.
  • Een dringende procedure.
  • Een procedure bij hoogdringendheid.

In de praktijk gaat men bijna altijd op zoek naar een minnelijke schikking waarbij de publieke overheid eigenlijk het eigendomsrecht koopt, zonder procedurele controles en zonder schadeloosstellingen. Indien er geen akkoord wordt gevonden, zal men vaak de procedure bij hoogdringendheid opstarten.

De vergoeding waarop de benadeelde in het kader van de onteigening recht heeft omvat, naast de normale verkoopwaarde (“venale waarde“) ook de kosten die verbonden zijn aan het nieuwe onderkomen (bv. kosten voor kredietverschaffing en verhuiskosten), kosten voor beroepsschade (bv. wanneer de woning ook voor beroepsdoeleinden wordt gebruikt) en een eventuele schadevergoeding voor het derven van interessante huurontvangsten.