Het verhuren van het gehuurde of een deel van het gehuurde aan een nieuwe huurder. De oorspronkelijke hoofdhuurder blijft daarbij een huurder ten opzichte van de oorspronkelijke hoofdverhuurder, maar de hoofdhuurder neemt ook de rol als onderverhuurder aan ten opzichte van de onderhuurder.

In principe is onderhuur steeds toegestaan, tenzij de huurovereenkomst dit nadrukkelijk verbiedt. Kenmerkend is ook dat de woninghuurwet een verbod instelt voor de volledige onderverhuring van de hoofdverblijfplaats, daar er anders geen sprake meer kan zijn van een hoofdverblijfplaats. Een woning die als hoofdverblijfplaats dient, kan men dus enkel gedeeltelijk onderverhuren terwijl het persoonlijk deel wel de hoofdverblijfplaats blijft. Het spreekt voor zich dat de duur van de onderhuurovereenkomst nooit langer mag zijn dan deze van de oorspronkelijke huurovereenkomst.

In feite ontstaan hier twee contractuele relaties. Enerzijds is er de relatie tussen de hoofdverhuurder en de hoofdhuurder. Hierbij is de hoofdhuurder steeds de eindverantwoordelijke, ook voor het onderhoud van het onroerend goed of de betaling van de huur. De hoofdhuurder draagt in de verhouding met de hoofdverhuurder de volledige verantwoordelijkheid, maar kan op zijn beurt natuurlijk altijd wel zijn onderhuurder aanspreken om aldaar de schade te verhalen.

Daarnaast ontstaat er ook een contractuele relatie tussen de onderverhuurder en de onderhuurder. Zowel de onderhuurder als de onderverhuurder moeten zich verhouden volgens de typische huurregels uit de woninghuurwet. Opvallend hierbij is dat de onderverhuurder zowel ten opzichte van de onderhuurder als ten opzichte van de hoofdverhuurder aansprakelijk kan zijn.

Daarnaast moet de onderverhuurder een aantal regels respecteren:

  • Bij het beëindigen van de hoofdhuurovereenkomst door de hoofdverhuurder moet de onderverhuurder binnen vijftien dagen na ontvangst van die opzegging de onderhuurder op de hoogte brengen dat zijn onderhuurovereenkomst samen met de hoofdhuurovereenkomst afloopt;
  • Bij het beëindigen van de hoofdhuurovereenkomst door de onderverhuurder moet de onderverhuurder de onderhuurder een opzeggingstermijn van drie maanden toekennen en een schadevergoeding van drie maanden huur betalen.

Daartegenover staat ten slotte dat de onderhuurder nooit een verlenging kan aanvragen, ook niet omwille van buitengewone omstandigheden. Dit omdat zo’n verlenging tegenover de hoofdverhuurder zou moeten worden ingeroepen, terwijl deze geen partij is bij de onderhuurovereenkomst.